sep 092015
 

“Ik word onrustig van die lege stoel. Ik word er toe aangetrokken. Alsof ik ernaar toe moet”
“Voel je vrij om de beweging te volgen die er in je opkomt”

Een deelnemer aan de workshop Systemisch Onderzoek naar Onderwijs[1] staat op van haar plek in een kring van 26 mensen en gaat op de lege stoel zitten die we als begeleiders hebben neergezet om ook ‘het kind’ een plek te geven in de workshop. Ze begint te stralen. Dit leidt tot een volgende beweging met als resultaat:  drie mensen zitten bij elkaar, waarvan één op de grond, en representeren ‘de (jonge) kinderen’. Als ze voelen dat er vele ogen op hen gericht zijn, draaien ze weg. “Het voelt heel naar als er zo naar ons gekeken wordt.” Een deelnemer in de cirkel meldt: “Ik weet me hier geen raad mee”. Er ontstaat even weer verbinding met de kinderen.

Er ontstaat beweging in het veld van onderwijs als iemand ‘het kind’ in beeld brengt, zichtbaar maakt. Dit zien we ook in andere opstellingen terug. Er ontstaat verbinding als iemand uitspreekt wat er op dat moment is en zich daarmee kwetsbaar opstelt. Ook dit sluit aan bij eerdere ervaringen, bijvoorbeeld bij het Hyperion Lyceum.

Om de cirkel met deelnemers heen staan 6 flip-overs met lege vellen, die we als begeleiders van tevoren Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, MBO, HBO, WO en Overheid hebben genoemd. We bleken ze niet actief nodig te hebben, ze vormden  mede het veld.

Mag de muziek aan?
Eén van de kinderen vraagt: “Mag de muziek aan?” Mijn hart maakt een sprongetje en ik voel de impuls om gehoor te geven aan het verzoek. En ik doe het niet. Het hoort niet zo om muziek op te zetten tijdens een opstelling. En daarbij komt, wat brengt het teweeg? Wat kunnen we daarmee? Ik blijf zitten en doe niets.

Even laten vraagt het kind weer “Mag de muziek aan?!” Ik voel wederom de impuls om gehoor te geven aan dit verzoek. En laat me dit keer tegenhouden door de armbeweging van Sander. Nu even niet.

Terugkijkend is dit voor mij een cruciaal moment geweest in de opstelling. En is er gebeurd wat ik zo vaak zie gebeuren in het onderwijs: de waarneming en behoefte van een kind wordt opzij geschoven en genegeerd. De vraag is: wat was er gebeurt als er wel muziek was opgezet? Wat representeert de muziek? Wat heeft nu geen plek gekregen, wat is er buitengesloten?

En ook, wat heeft ervoor gezorgd dat ik de behoefte van het kind negeerde? Angst. Ik was bang voor het oordeel van anderen en bang dat ik niet zou kunnen omgaan met wat er zou gebeuren als we muziek zouden opzetten.

Naderhand komt de deelnemer die het kind representeerde die vroeg ‘Mag de muziek aan?’ naar mij toe en deelt wat er met haar gebeurde tijdens de opstelling. Ook voor haar is het een cruciaal moment in de opstelling geweest dat er geen muziek is opgezet. Het gevolg is geweest dat ze daarna in haar gedrag ging ‘duiken’. Zo wilde ze bijvoorbeeld de zaal verlaten en veinsde ze te moeten plassen.

Wat we hebben gezien
Onderstaand een afbeelding van de elementen die verschenen in het veld. Terugkijkend hebben we een aantal ‘subsystemen’ waargenomen in dit geheel. Deze worden in de volgende paragrafen beschreven.

2015 - beeld opstelling Vlinders in het Veld

 

Niet-weten, Leren, Kinderen en Leerkracht
‘Leren’ komt tussen Niet-weten en de Kinderen zitten met de woorden: “Ik vind dat ik hier moet gaan zitten.”

Een Kind brengt de Leraar naar het Niet-weten. Het Niet-weten zegt: Ik wil graag dat jullie blijven. Deze uitspraak maakt het Kind kriebelig.

Later in de opstelling zegt Liefde: De Leraar kan het Kind naar het Niet-Weten brengen. Waarop de Leraar antwoordt met ‘Ik ben liever Wijsheid’.

Kinderen, Ouder en Leerkracht
De Ouder is oprecht benieuwd naar het spelen van de Kinderen. De Ouder zegt later: “Als de Leraar geen leiding neemt, doet de Ouder dat.”

Wat is er achteloos verloren gegaan? Kind: “Ik ben de liefde voor de leraar kwijt geraakt. Het is mooi dat hij daar zo zit met ons”.

Liefde, Lege Midden, Emerging Future, Verlangen
Er is verbinding tussen Lege Midden en Emerging Future. Met Verlangen erbij ontstaat er ruimte en beweging.

Emerging Future wordt door Juf gevraagd ‘Doe jij ertoe?” Het antwoord is: “Ja!”

Liefde gaat zachtjes zingen. De Kinderen reageren daarop, evenals het Verlangen.
Ik realiseer me nu pas, dat hiermee toch muziek in de opstelling is gekomen …

Liefde vraagt: “Wat heeft dit systeem te leren?”

 Overheid, Verlangen
Overheid komt later in de opstelling en zegt: “Dit kan toch niet. Ik moet wat doen.” Er is angst. En een duidelijke verbinding met Verlangen. Overheid zegt:  “Ik weet het niet, dat kan ik toch niet zeggen?!” “Ik wil wel!” “Het is voor het eerst met Verlangen erbij dat ik de Kinderen zie.”

Bestuur, Overheid, Inspectie
Deze drie vormen een duidelijke eenheid, zoals we vaker zien in opstellingen. Ook in deze opstelling reageren de Kinderen heel sterk (misselijk worden, weg willen gaan) op de komst van de Inspectie.

Als het Bestuur in de opstelling komt, verplaatst de Inspectie zich dichter naar de Kinderen toe. In de relatie Bestuur – Inspectie is geen ruimte voor Emerging Future.

Tot slot
Ik eindig met een aantal opmerkingen die blijven resoneren nadat een aantal maanden verstreken is:

  • Aan het begin van de workshop zei een deelnemer: “Hoe zit ik hier? Als moeder? Als onderwijsmens? Als opsteller?” Vanuit welke bron spreek ik en wat heeft dat voor gevolgen voor wat ik waarneem en wat ik zeg?
  • “Dit heb ik al een keer eerder gezien.” Wat zorgt ervoor dat we steeds hetzelfde blijven zien als we naar het onderwijs kijken?
  • Het systeem wiegen …
  • Je mag wel een heel groot hart hebben om alles in het onderwijs in te sluiten …
  • “Kunnen wij het huidige onderwijssysteem liefhebben?”
  • Het is een statische opstelling geweest. Er was voornamelijk beweging bij de Kinderen.
  • Ja èn ja – dat heeft het systeem te leren

“Nu heb je dit gezien. Waar zou je op willen inzoomen en welke systemische vragen zijn daarbij?”
“Nu heb je dit gezien. Als je uitzoomt, wat zie je dan?”

Femmy Wolthuis
September 2015

[1] Waarnemingen uit de workshop Systemisch Onderzoek naar Onderwijs tijdens het congres Vlinders in het veld georganiseerd door het Bert Hellinger Instituut, 30 mei 2015. Begeleiders: Sander Galjaard en Femmy Wolthuis

 

  2 reacties aan “Mag de muziek aan?! Systemische waarnemingen over het onderwijs”

  1. Best lastig: een opstelling over onderwijs met mensen uit het onderwijs. Twee redenen waarom het nog niet zo gemakkelijk is.

    1. Grote maatschappelijke impact
    Onderwijs is hoe dan ook onderhevig aan sterke maatschappelijke en politieke opvattingen. Bijvoorbeeld omdat het is verankerd in artikel 23 van de Grondwet: “Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering”. In de Rijksbegroting 2015 gaat ruim 30 miljard euro naar het onderwijs. Dat leidt mogelijk tot vragen over schuld en onschuld, over de balans tussen nemen en geven. Doen we het wel goed? Besteden we het belastinggeld wel doelmatig?
    In de afgelopen vijf jaar is er veel negatieve aandacht geweest. Over passend onderwijs, over wetenschapsfraude, over InHolland en andere hogescholen, over gespeculeer met derivaten bij Amarantis, over het bijna failliete ROC Leiden.
    Tegelijkertijd zijn de verwachtingen hooggespannen. Lees het WRR-rapport “Naar een lerende economie” er maar op naar.

    2. Geen willekeurige representanten
    Bij een opstelling met een directeur van een bedrijf ga je doorgaans op zoek naar representanten die het bedrijf niet kennen of geen binding hebben met het bedrijf. De opstelling van 30 mei was juist louter met mensen die een (zeer) sterke binding hebben met het onderwerp.
    Maar is het überhaupt mogelijk om representanten te vinden die geen binding hebben met het onderwijs? Als je niet werkzaam bent in het onderwijs, is je partner dat wel of een familielid. We hebben allemaal zelf onderwijs genoten, onze kinderen gaan naar school.
    Onderwijs is net als zorg een bijzonder thema en een bijzondere sector omdat nagenoeg iedereen er een opvatting over heeft en er een belang bij heeft.

    Dat maakt het tot een moedig besluit om er toch in een opstelling naar te willen kijken. Het vraagt een behoedzame aanpak.

    Op 30 mei werd ik zelf ook overvallen door datgene wat er gebeurde. En wanneer begon de opstelling eigenlijk? Toen ik me aanmeldde voor de workshop? Onderweg naar Baarn? Toen ik voor de deur van de zaal stond te wachten? Tijdens de geleide meditatie? Of toen de lege stoel betekenis kreeg. In elk geval toen. Toen op de stoel een kind zat en ik (als mijzelf of als representant van het hoger onderwijs of als representant waar dan ook maar van) vond dat daarmee anderen (zoals de jongvolwassen student) werden buitengesloten. Net als anderen heb ik gevoeld hoe sterk de patronen zijn en de dynamieken die ze teweeg brengen. Ik werd erin gezogen.

    Wat is er dan in een opstelling mogelijk? Waar kun en mag je wel naar kijken? Als patronen en dynamieken zo sterk zijn in een veld met louter betrokkenen; zijn interventies dan mogelijk? Hoe geef je daaraan bedding? Die vragen blijven mij bezighouden.

  2. Beste Abelius,
    hartelijk dank voor je uitgebreide reactie. Je stipt een aantal interessante onderwerpen aan, waar ik op gesudderd heb. Op je tweede punt (geen willekeurige representanten) wil ik naar aanleiding van de systemische werkplaats van gisteravond graag reageren met het delen van onze ervaring en waarnemingen.

    Gistermiddag waren we bij elkaar met een groep van zo’n 15 mensen, allen werkzaam in of nauw betrokken bij het onderwijs in Nederland. We zijn begonnen met een geleide meditatie en hebben daarna een oefening gedaan om het bewustzijn van ons lichaam en het waarnemend vermogen daarvan wakker te maken.

    De feedback die Sander en ik als begeleiders kregen naar aanleiding van de vorige bijeenkomst was, dat we mogelijk meer gebruik kunnen maken van de kracht van de groep. Aangezien de werkplaats een plek is om te experimenteren en te onderzoeken hebben we deze uitnodiging opgepakt. Na de oefening hebben we aan de hand van de talking stick geïnventariseerd wat er leefde rondom de vraag “Wat wil er vandaag onderzocht worden met betrekking tot het onderwijs?” Onderwerpen als ‘verveling bij jongeren in het VO’, ‘autonomie’, ‘kwetsbaarheid en de angst voor kwetsbaarheid’, ‘het in de klas verbinden van volken die ons land bevolken’, ‘hoe creëren we een teamspirit in het onderwijs’ kwamen op. Vervolgens hebben we onderzocht wie er op welke onderwerpen sterk resoneerden. Uiteindelijk bleken de ingebrachte thema’s elementen te zijn voor een opstelling rondom de vraag ‘Wat is er nodig om de kanteling door te zetten?’ Op de website plaatsen we binnenkort een verslag over wat we hebben gezien in de opstelling.

    Terugkijkend komt er bij me op dat we gisteren gebruik hebben gemaakt van het feit dat een deel van het geheel kennis over het geheel in zich draagt. Je schrijft: “Onderwijs is net als zorg een bijzonder thema en een bijzondere sector, omdat nagenoeg iedereen er een opvatting over heeft en er een belang bij heeft. De werkplaats is een plek waar we onszelf oefenen in het opschorten van onze mening / ons oordeel, waar we elkaar uitnodigen om vanuit de waarneming te spreken. Ook speelt eigenbelang geen rol. We dragen het onderwijs allemaal een warm hart toe en stellen ons open ten dienste van het onderwijs.

    Een nieuwe deelnemer aan de werkplaats, een pasafgestudeerde jongvolwassene die zich in het kader van de Nationale Denktank de komende tijd buigt over de vraag naar wat de toekomst is van het leren, verwoordde heel mooi wat we zelf ook steeds weer waarnemen met betrekking tot de werkplaats: met onderwijs bezig zijn betekent dat je met je eigen ontwikkeling bezig bent. In onderwijs kun je jezelf niet achterhouden. Het nodigt je uit er vol in te stappen en te leren. Ten behoeve van jezelf en daarmee ook ten behoeve van het grotere geheel. Het is fascinerend hoe dit met elkaar samenhangt.

    Ik begin te vermoeden dat je juist heel goed met niet willekeurige representanten kunt werken als je onderzoek doet in bredere zin naar onderwijs. En terwijl ik dit schrijf, komt ook de vraag bij me op: “Zijn de representanten in de opstellingen die jij beschrijft wel zo willekeurig?” Met grote regelmaat hoor ik representanten zeggen dat het klopt dat juist zij werden gevraagd om iets te representeren. Holon in holon, schrijft Willem Glaudemans in zijn boek Universele Wetten van het Leven.

    Als een vraag die onderzocht wordt dicht staat bij de mensen die de vraag inbrengen, kan het behulpzaam zijn om mensen die verder afstaan van de context te vragen te representeren, omdat zij minder verstrikt zijn in het systeem en zo ruimte ervaren om iets nieuws zichtbaar te maken. Is het mogelijk om bij vragen die minder direct de betrokkenen raken je bewust te zijn van mogelijke verstrikkingen / oordelen en zuiver te representeren? We hebben gisteren heel nieuwe dingen gezien … Nieuwe vragen om samen verder te onderzoeken.

 Geef een reactie

Je kan deze HTML tags en attributen gebruiken: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

(required)

(required)